In een brief aan de Tweede Kamer heeft minister Van Veldhoven van Klimaat en Groene Groei de laatste verschuiving in het nationale energie-innovatiebeleid uiteen gezet. Waar de afgelopen jaren vooral de groei van de geïnstalleerde capaciteit – van 3 MW tot meer dan 300 MW – centraal stond, richt de overheid zich nu op een bredere set vragen: veiligheid, modulair ontwerp, materiaalkeuze en de mogelijkheid om batterijen binnen Europa te produceren.
De minister legt uit dat de uitdaging niet langer enkel ligt in het bouwen van grootschalige batterijparken maar in het laten communiceren van deze energie-hubs met andere onderdelen van het systeem. Daarnaast vraagt men zich af welke kritieke grondstoffen worden ingezet en hoe de stapelbaarheid van batterijen kan worden vergroot zodat ze minder ruimte innemen, zelfs in huishoudens.
Van grote pakketten naar veilige, Europese modules
De beleidswijziging gaat gepaard met concrete voorbeelden uit de praktijk. Zo kreeg het batterijbedrijf LeydenJar een aanzienlijke publieke injectie om een siliciumfabriek op te zetten. Het bedrijf streeft naar een veel hogere efficiëntie van batterijen, waardoor ze beter passen in zowel industriële als residentiële toepassingen. Het kabinet houdt daarnaast een open blik op toekomstig potentiële spelers, zoals kleine modulaire kernreactoren (SMR’s), die op de lange termijn een rol kunnen spelen in de energietransitie.
Naast de batterij-focus benadrukt de minister dat de grootste knelpunten nu elders liggen: netcongestie, de uitrol van windenergie op zee, de warmtetransitie en de elektrificatie van de industrie. Innovaties op het gebied van slimme vraag-sturing, digitalisering en geavanceerde opslag moeten deze uitdagingen helpen overwinnen.
Industriebeleid: van vrijheidsideaal tot realiteit
Parallel aan de energie-agenda heeft het kabinet een nieuw voorstel voor industriebeleid gepresenteerd, mede ingegeven door de oproep van onder meer Peter Wennink en Jelle Prins. Een centraal element is de Nationale Investeringsinstelling, die volgens de minister een partnerschap moet worden tussen de financiële sector (“ZuidAs”) en kennisinstellingen zoals de TU Delft. Het idee is simpel: geldstromen moeten niet alleen komen van de markt, maar ook van een strategisch beleid dat innovatie stimuleert.
Historisch gezien heeft de Nederlandse overheid vaak een stille rol gespeeld in baanbrekende technologische ontwikkelingen. Voorbeelden variëren van de Philips-NatLab-experimenten die leidden tot de Locos-technologie tot de subsidies die een cruciale rol speelden bij de opkomst van ASML. De les uit het verleden is dat langdurige, gedurfde investeringen – ook al lijken ze in eerste instantie kostenintensief – uiteindelijk wereldleiders kunnen voortbrengen.
Woningmarkt onder druk: de keerzijde van betaalbaarheidsregels
Een derde opvallende trend die het kabinet ondervindt, draait om de woningcrisis. Sinds 1 juli zijn er per regio verplichtingen ingevoerd: tweederde van nieuwbouw moet “betaalbaar” zijn, waarvan 30 % sociaal en 25 % koopbaar voor middeninkomens. Een woning geldt als betaalbaar wanneer de huur niet hoger is dan €1.228 per maand of de verkoopprijs €420.000. Analyses van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) laten zien dat deze regelgeving in de praktijk fungeert als een indirecte belasting op nieuwbouw.
De IPE-economie concludeert dat de regels leiden tot minder en kleinere woningen, en tot een groeiende kloof tussen huurders in de sociale sector en marktsector. Bovendien maakt de wetgeving bouwen voor woningcorporaties onrendabel, waardoor zelfs duurdere projecten die ruimte zouden vrijmaken voor betaalbare eenheden, uitblijven. De oproep is duidelijk: richt de stimulering op het totale aantal woningen en verminder de focus op percentage-eisen om de negatieve bijeffecten te vermijden.
Hoewel het huidige kabinet enkele verzachtende maatregelen heeft geïntroduceerd – zoals een iets soepelere Wet Betaalbare Huur, snellere vergunningprocedures en extra leenruimte voor corporaties – blijven deskundigen sceptisch over de effectiviteit. Een combinatie van gerichte overheidsinvesteringen en een meer marktvriendelijk klimaat wordt gezien als de beste weg om zowel de energietransitie als de woningnood duurzaam aan te pakken.



