De uitbreiding van windturbines op land in Nederland zet nog wel door, maar het tempo is scherp afgenomen. Volgens de jaarlijkse Monitor Wind op Land van de RVO kwamen er in 2026 slechts negen netto nieuwe turbines bij, een daling ten opzichte van het jaar daarvoor. Tegelijkertijd waarschuwt het rapport dat het totale geïnstalleerde vermogen in 2026 zelfs kan krimpen zodra veel kleine, verouderde molens worden verwijderd. Deze situatie illustreert hoe kwetsbaar de sector is wanneer een keten van factoren samenvalt: juridische onzekerheid, terughoudende lokale besluitvorming en marktfactoren die rendabiliteit onder druk zetten.
Het beeld is meerlagig. Aan de ene kant staan concrete plannen die in sommige provincies op tafel liggen; de RVO noemt vooral initiatieven in Utrecht en Overijssel. Aan de andere kant zijn veel van die voorstellen nog in een pril stadium en lopen ze het risico onderweg te stranden. Lokale overheden verlenen vergunningen weliswaar nog steeds, maar vaak met terughoudendheid uit onzekerheid over te verwachten landelijke richtlijnen. De combinatie van sloop van oude turbines en uitblijvende vervanging kan resulteren in een feitelijke afname van capaciteit, iets wat de RVO expliciet signaleert.
Wat zeggen de cijfers?
De hoofdlijn uit het RVO-rapport is helder: het aantal windturbines en het totale vermogen stijgen nog, maar veel minder snel dan voorheen. De toevoeging van negen netto turbines in 2026 is symbolisch voor een sector die in een remmende fase zit. Belangrijk is dat het rapport ook vooruitkijkt; het waarschuwt dat de sloopgolf van kleine, verouderde turbines groter kan zijn dan de bouwgolf van nieuwe exemplaren, waardoor het geïnstalleerde vermogen in 2026 onder druk komt te staan. Dit is geen technisch artefact maar een reële risicoanalyse die aangeeft dat de netto capaciteit zowel in stijgende als in dalende richting kan bewegen afhankelijk van beleidskeuzes en marktontwikkelingen.
Waarom stokt de uitbreiding?
De oorzaken zijn zowel politiek-juridisch als economisch van aard. Centraal staat de onduidelijkheid over regels: de oude normering werd al in 2026 door de rechter verworpen, en sindsdien werkt de overheid aan nieuwe kaders. Die discussie sleept aan, waardoor gemeenten en provincies vaak afwachtend zijn bij het verlenen van vergunningen. Deze terughoudendheid vertaalt zich rechtstreeks in minder projecten die daadwerkelijk worden gerealiseerd, ook al bestaan er intenties en ruimtelijke plannen.
Regelgeving en vergunningverlening
De afwezigheid van eenduidige landelijke normen heeft twee directe gevolgen. Ten eerste zien lokale besturen af van het snel uitgeven van vergunningen in afwachting van landelijke aanwijzingen. Ten tweede leidt de juridische onduidelijkheid ertoe dat veel projecten tegen bezwaarprocedures aankijken en soms tot hoogste rechter moeten worden doorgeprocedeerd. Sectorvertegenwoordigers zoals Jan Vos van NedZero benadrukken dat de lage groei en de mogelijke krimp laten zien wat er misgaat wanneer werkbare, duidelijke regels ontbreken. Tevens vraagt de sector om heldere afspraken over geluid en slagschaduw, terwijl een verplichte afstandsnorm tussen molen en woning op weinig enthousiasme kan rekenen.
Markt- en technische obstakels
Nederlandse windparken kampen niet alleen met regels maar ook met economische realiteit. Door de sterke toename van zon- en windvermogen komt er vaker een overvloed aan groene stroom, wat leidt tot periodes met nul of negatieve stroomprijzen. Tijdens zulke momenten verdienen windparken weinig tot niets en vallen subsidies weg, wat de zakelijke case ondermijnt. Tegelijkertijd maken stijgende kosten voor materialen en mogelijke knelpunten bij het netwerk en de benodigde ruimte voor defensie het lastiger om nieuwe projecten rendabel te krijgen. Al deze elementen samen maken investeerders voorzichtiger.
Wat kan er veranderen en wat zijn de gevolgen?
Als de landelijke regels snel en duidelijk worden vastgesteld, kunnen veel van de huidige belemmeringen verdwijnen: gemeenten durven dan sneller vergunningen te verlenen en onzekerheid op projectenniveau neemt af. Blijft de situatie echter ongewis, dan ligt stagnatie of zelfs krimp van het vermogen voor de hand, met gevolgen voor de energietransitie en de verdeling van klimaatambities. Regionale initiatieven kunnen lokaal wél blijven doorgaan, maar om de nationale doelstellingen te halen is vaak samenhang en voorspelbaarheid nodig. De komende periode wordt daarmee cruciaal voor de toekomst van windenergie op land in Nederland.