Naar inhoud
4 juni 2026

Meer zekerheid voor flexwerkers: wat de wet verandert en waarom

De Tweede Kamer heeft een wet aangenomen die flexwerkers meer inkomen- en urenzekerheid moet geven, met nieuwe regels over tijdelijke contracten, het bandbreedtecontract en gelijke voorwaarden voor uitzendkrachten

Meer zekerheid voor flexwerkers: wat de wet verandert en waarom

De Tweede Kamer heeft ingestemd met een wetsvoorstel dat bedoeld is om de positie van ongeveer 2,7 miljoen flexwerkers in Nederland structureel te verbeteren. Het plan, ingediend door minister Hans Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, wil flexibele arbeid minder onzekerder maken door tijdelijke contracten strakker te reguleren en oproepwerk te hervormen. De tekst van het voorstel moet nog de goedkeuring krijgen van de Eerste Kamer, maar voorziet — mits aangenomen — in een gefaseerde inwerkingtreding, met als streefdatum 1 januari 2028. Volgens de minister helpt duidelijkheid over uren en inkomen mensen om toekomst- en opleidingskeuzes te maken.

De voorgestelde maatregelen zijn onderdeel van een breder arbeidsmarktpakket dat voortvloeit uit eerdere adviezen, waaronder aanbevelingen uit het rapport van de commissie-Borstlap (2026) en afspraken uit 2026 tussen kabinet, vakbonden en werkgevers. De wet wil misbruik van tijdelijke contracten tegengaan, de onzekerheidsfasen in het uitzendwerk verkorten en de situatie van oproepkrachten veranderen door het nulurenstelsel te vervangen door meer houvast voor werknemers.

Belangrijkste veranderingen in één overzicht

Een kernpunt is dat tijdelijke contracten expliciet alleen nog bedoeld zijn voor echt tijdelijk werk. Werkgevers kunnen niet meer langdurig op rij tijdelijke contracten gebruiken om vaste aanstellingen te vermijden. Na maximaal drie opvolgende tijdelijke contracten geldt er volgens de Tweede Kamer een pauze van drie jaar voordat hetzelfde bedrijf opnieuw een tijdelijk contract mag aanbieden aan dezelfde medewerker; in een eerdere versie stond nog vijf jaar. Dit moet draaideurconstructies verminderen en sneller uitzicht bieden op een vast dienstverband.

Bandbreedtecontract vervangt nulurencontract

Het aangekondigde bandbreedtecontract pakt het fenomeen van de nulurencontract aan door binnen elk contract een minimum en maximum urenafspraak op te nemen. Het maximum mag maximaal 130% van het minimum zijn; bij een minimum van tien uur betekent dat concreet dat er maximaal dertien uur kan worden ingepland. Uren boven die limiet mag de werknemer weigeren en bij structureel hogere werkbelasting moet de werkgever een contract met meer uren aanbieden. Voor jongeren, studenten en AOW-gerechtigden blijft een uitzondering mogelijk, zodat zij flexibiliteit kunnen behouden.

Meer bescherming voor uitzendkrachten

Een ander belangrijk element is dat uitzendkrachten wettelijk recht krijgen op minimaal gelijke arbeidsvoorwaarden als werknemers die rechtstreeks bij de opdrachtgever in dienst zijn. Dit principe stond al in Europese jurisprudentie en in cao-afspraken, maar wordt nu expliciet in nationale wetgeving vastgelegd. Daarnaast worden de fasen in de uitzendsector waarin werknemers weinig zekerheid hebben verkort van anderhalf jaar naar één jaar, en krijgt de minister de bevoegdheid om in te grijpen bij structurele onderbetaling in de sector.

Concrete voorbeelden en uitzonderingen

De wet bevat praktische regels: werkgevers die structureel meer uren laten maken dan afgesproken, moeten hun aanbod aanpassen; oproepen boven het afgesproken maximum kunnen door werknemers geweigerd worden. Tegelijkertijd blijft het technisch mogelijk om nog zeer kleine contracten te sluiten—bijvoorbeeld een contract van één uur—maar die optie wordt minder aantrekkelijk doordat de bandbreedtelimiet de marge beperkt. Critici wijzen erop dat kwetsbare groepen met oproepwerk zelden juridische stappen ondernemen, waardoor naleving en handhaving cruciaal blijven.

Waarom nu haast? Europese regels en deadlines

Minister Vijlbrief verzocht de Eerste Kamer de wet met spoed te behandelen vanwege verbindingen met het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan. In Kamerbrieven benadrukte hij dat sommige mijlpalen binnen dat plan anders onhaalbaar zouden zijn en dat Nederland zonder actie risico loopt op een korting van maximaal ruim €600 miljoen per niet-behaalde mijlpaal. Om dat te voorkomen is het doel dat het wetsvoorstel uiterlijk op 31 augustus 2026 tot wet wordt verheven en gepubliceerd, en dat het onderdeel over gelijke arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten uiterlijk op 31 december 2026 in werking treedt.

Balans tussen snelheid en zorgvuldigheid

Vijlbrief erkent dat de agenda van de Eerste Kamer vol is en dat de termijn krap is, maar dringt aan op voortvarendheid. Voorstanders spreken van een noodzakelijke stap naar meer bestaanszekerheid en ruimte voor scholing en ontwikkeling, terwijl tegenstanders en sommige werkgevers waarschuwen voor administratieve lasten en mogelijke uitdwijningen van flexibiliteit die ondernemers nodig achten.

Samenvattend is de aangenomen wet bedoeld om het verschil tussen vaste en flexibele arbeidsrelaties te verkleinen, oproepwerk meer voorspelbaar te maken via het bandbreedtecontract, en uitzendkrachten wettelijk beter te beschermen. De wet is politiek rond in de Tweede Kamer, maar de daadwerkelijke invoering hangt af van de behandeling door de Eerste Kamer en van het naleven van strikte deadlines die ook financiële gevolgen kunnen hebben voor Nederland.

Auteur

Roberta Tagliabue

Roberta Tagliabue sliep in de wachtkamer van het ziekenhuis San Martino om een opkomende zorgzaak te volgen; ze tekent reportages en coördineert verificatiedossiers op de redactie als contactpersoon voor Genua. Geboren in Sampierdarena, onderhoudt ze directe contacten met gemeenteraadsleden en openbare bibliotheken.