Op 22 juni jongstleden bezocht een jonge vrouw, samen met haar oma en tante, de sauna- en wellnessfaciliteit Zwaluwhoeve in Hierden, vlakbij Harderwijk. Het was een zogenoemde badkledingdag waarbij bezoekers een badpak of zwemshort moesten dragen. De gast koos ervoor een boerkini te dragen – een geheel van hoofddoek, lange mouwen en een lange broek, vervaardigd van badkledingstof.
Na ongeveer vier uur kreeg ze van een medewerker het signaal dat ze de sauna moest verlaten, omdat de huisregels volgens het bedrijf geen lichaamsbedekkende badkleding toestonden. Het personeel stelde dat deze regel noodzakelijk was voor gezondheidveiligheid en hygiëne van alle bezoekers.
Beoordeling door het College voor de Rechten van de Mens
Het College voor de Rechten van de Mens heeft de klacht van de vrouw onderzocht en heeft op 17 september 2026 geconcludeerd dat er sprake was van indirect discriminatie op grond van godsdienst en geslacht. Het college vindt de onderbouwing van Zwaluwhoeve onvoldoende: er is geen bewijs dat een boerkini een risico vormt voor de gezondheid of veiligheid, en wetenschappelijk onderzoek laat geen verschil zien in hygiëne tussen verschillende soorten badkleding.
Daarbij wijst het college op voorbeelden van andere Nederlandse sauna’s waar een boerkini wel is toegestaan en waar bezoekers desondanks voldoende kunnen afkoelen – bijvoorbeeld door langer in een dompelbad te blijven. Volgens het College had Zwaluwhoeve de gast kunnen informeren over alternatieve manieren om af te koelen, in plaats van een blanket verbod te handhaven.
Gevolgen en verdere ontwikkelingen
Hoewel de uitspraken van het College niet bindend zijn, leiden dergelijke bevindingen in ruim 80 procent van de gevallen tot concrete maatregelen, variërend van excuses tot beleidsaanpassingen. Tot op heden heeft Zwaluwhoeve nog geen formele reactie op de uitspraak gegeven.
De vrouw meldde dat ze door het personeel onrespectvol en bijna agressief behandeld werd. Het College erkent dat de manier van benaderen onfatsoenlijk was, maar kon geen bewijs vinden dat de medewerker haar expliciet minderwaardig heeft behandeld vanwege haar religie of geslacht. Hierdoor bleef de beoordeling van de feitelijke bejegening buiten de definitie van discriminatie.
Deze casus werpt een licht op de spanning tussen individuele religieuze vrijheid en algemene veiligheids- en hygiëneregels binnen sport- en wellnessfaciliteiten. Organisaties die dergelijke regels hanteren dienen nu nauwkeurig te onderbouwen dat de beperkingen noodzakelijk zijn, anders riskeren zij een oordeel van indirecte discriminatie door toezichthouders.



