De Algemene Rekenkamer heeft op dinsdag een stevige aanklacht geuit tegen justitieminister David van Weel (VVD). In een verslag wordt gesteld dat de minister de tweede kamer op het verkeerde been heeft gezet met zijn toelichting op meer dan tienduizend aangiften van ernstige misdrijven die tot op heden niet zijn behandeld.
De kritiek richt zich op een verklaring die Van Weel afgelopen zomer gaf tijdens een kamervragenronde. Hij stelde toen dat een groot deel van de 10.000 meldingen om niet-verwerking kwam doordat het om “meldingen” ging, maar de Rekenkamer heeft later aangetoond dat dit slechts op ongeveer 10 % van de gevallen van toepassing is. De discrepantie tussen de cijfers en de ministeriële uitleg vormt de kern van de beschuldiging.
Kritiek van de Algemene Rekenkamer
Volgens het rapport van de Rekenkamer heeft de minister een onvolledige en daardoor misleidende voorstelling van de realiteit gepresenteerd. De instantie wijst erop dat de gebruikte term “meldingen” verwarrend was, omdat hiermee in de volksmond vaak wordt verstaan dat er geen vervolging volgt. In de context van de Rekenkamer betekent het echter een administratieve categorie die geen directe strekking heeft tot de kwalificatie als ernstig misdrijf.
De Rekenkamer benadrukt dat de onbehandelde aangiften – gedefinieerd als *aangiften die niet zijn onderzocht of vervolgd* – een ernstig tekort in de justitiële afhandeling signaleren. Het feit dat slechts tien procent van de gemelde zaken inderdaad als meldingen kan worden aangemerkt, onderstreept een structureel probleem dat volgens de Rekenkamer niet kan worden afgewisseld met een eenvoudige verklaring.
Achtergrond van de onbehandelde aangiften
Het getal van 10.000 aangiften van ernstige misdrijven is afkomstig uit een interne telling van het ministerie van Justitie en veiligheid. Deze aangiften bestrijken een breed scala aan delicten, variërend van zware geweldsmisdrijven tot georganiseerde criminaliteit. Het feit dat ze niet zijn behandeld, heeft niet alleen consequenties voor de slachtoffers, maar ondermijnt ook het vertrouwen in de rechtsstaat.
De Rekenkamer heeft verder vastgesteld dat de verwerking van dergelijke aangiften zowel qua snelheid als qua grondigheid ondermaats is. Het ministerie heeft in de afgelopen jaren diverse pogingen ondernomen om de doorlooptijd te verkorten, maar volgens de onafhankelijk controlerende instantie blijven de resultaten achter de gestelde doelen. Ten aanzien van de cijfers ontbeert de ministeriële uitleg een transparante onderbouwing, wat leidt tot de conclusie dat de Kamer niet adequaat is geïnformeerd.
Cijfers en percentages
Van de totale 10.000 gemelde gevallen is volgens de Rekenkamer slechts één op de tien een “melding” in de technische zin van het woord. De overige negen op de tien zijn aangiften die om onbekende redenen niet zijn opgepakt. Dit betekent dat 90 % van de ernstige misdrijven niet de aandacht heeft gekregen die ze volgens de wet verdienen. Het percentage is significant en vraagt om een structurele herziening van de processen binnen het ministerie.
De Rekenkamer concludeert dat de ministeriële uitleg onvoldoende recht doet aan de ernst van de situatie. Door de cijfers te presenteren alsof het merendeel om “meldingen” gaat, wordt de perceptie van de Kamer en het publiek onterecht gemanipuleerd. De uitspraak “op het verkeerde been gezet” vat de kern van de kritiek samen en signaleert een ernstig tekortschieten in de transparantie van de ministeriële communicatie.



