Het Nederlandse Zorginstituut heeft aan de minister van Volksgezondheid geadviseerd om het alzheimermedicijn lecanemab (merknaam Leqembi) niet op te nemen in het basispakket. Het advies volgt op een toetsing van effectiviteit, risico’s en doelgroepbereik. Hoewel het middel in Europa en eerder in de Verenigde Staten toestemming kreeg, concludeert het instituut dat het voordeel voor patiënten beperkt is en de risico’s substantieel kunnen zijn.
Dit artikel zet de belangrijkste punten op een rij: wat het advies inhoudt, welke patiënten mogelijk in aanmerking komen en waarom patiëntenorganisaties toch pleiten voor toegang voor een kleine groep.
Waarom het Zorginstituut negatief adviseert
Volgens het advies levert lecanemab geen klinisch relevante meerwaarde op voor veel mensen met beginnende Alzheimer.
Onderzoek toont aan dat het middel de afzetting van amyloïde-eiwitten in de hersenen kan verminderen, maar dat vertaalt zich in de meeste gevallen niet in een duidelijk merkbare verbetering van het dagelijks functioneren. Tegelijkertijd bestaan er concrete zorgen over bijwerkingen: patiënten lopen risico op hersennebloedingen en hersenoedeem, verschijnselen die in zeldzame gevallen kunnen leiden tot ernstige uitkomsten.
Het zorginstituut weegt niet alleen effect versus risico, maar ook praktische en economische aspecten: de behandeling is intensief, kostbaar en vereist nauwgezette selectie en monitoring van patiënten.
Wie zou er überhaupt in aanmerking komen?
Een belangrijk punt in de afweging is de beperkte omvang van de doelgroep.
In Nederland lijden naar schatting ongeveer 217.000 mensen aan Alzheimer, waarvan circa 80.000 in een vroeg stadium. Desondanks blijkt uit analyses dat minder dan 15% van die groep voldoet aan de strikte criteria voor behandeling met lecanemab. De toelatingscriteria omvatten onder meer een vroege ziektestadium, relatief goede algemene gezondheid en specifieke biomarkers.
Genetische factoren en risico’s
Een belangrijke limiterende factor is de genetische samenstelling: dragers van bepaalde varianten van het gen ApoE4 lopen een verhoogd risico op complicaties bij behandeling. Patiënten met twee kopieën van die variant lijken extra kwetsbaar voor ernstige bijwerkingen. Dit maakt brede toepassing moeilijk en vergroot de noodzaak van zorgvuldige selectie en counseling.
Reacties vanuit patiëntenorganisaties en de zorg
Patiëntenvereniging Alzheimer Nederland reageert teleurgesteld op het advies maar pleit ervoor dat individuele patiënten zelf de keuze kunnen maken of zij het middel willen proberen. De organisatie noemt lecanemab een mogelijke eerste stap in de ontwikkeling van geneesmiddelen tegen Alzheimer en wijst op voorbeelden uit andere ziektegebieden, zoals kanker en multiple sclerose, waar vroegere therapieën aanvankelijk beperkt waren maar later leidden tot verbeterde behandelopties.
Het argument van Alzheimer Nederland is principieel: zelfs een bescheiden vertraging van ziekteprogressie kan voor sommige mensen en hun naasten veel betekenen. De vereniging vraagt de minister om een regeling waardoor een kleine, goed geselecteerde groep patiënten toch toegang kan krijgen.
Wat betekent dit voor het beleid?
Het ministerie van Volksgezondheid zal het advies van het Zorginstituut bestuderen en besluitvorming volgt via een Kamerbrief. In de praktijk neemt de minister dergelijke adviezen vaak over, maar beleidsmakers zullen ook politieke, ethische en budgettaire aspecten moeten afwegen. Voorlopig betekent het negatieve advies dat vergoeding uit het basispakket niet wordt aanbevolen.
Vooruitblik: onderzoek en nieuwe middelen
De sector blijft zoeken naar effectievere en veiliger behandelingen. Naast lecanemab lopen er meerdere onderzoeksprogramma’s naar andere anti-amyloïde middelen en alternatieve therapeutische benaderingen. De hoop is dat vervolgonderzoek meer inzicht geeft in wie baat heeft bij welke behandeling en hoe risico’s kunnen worden beperkt.
Tot die tijd blijft de aandacht ook gericht op zorg en ondersteuning: diagnostiek, vroegtijdige begeleiding en praktische hulpmiddelen kunnen het leven van patiënten met beginnende Alzheimer verbeteren, onafhankelijk van de beschikbaarheid van nieuwe geneesmiddelen.