In het hart van Parijs, in het Chaillot Théâtre national de la Danse ontketent Marco da Silva Ferreira met zijn voorstelling F*cking Future een storm van emoties en reflecties. Deze openingsvoorstelling van Julidans is niet alleen een dansstuk, maar een diepgaande verkenningsreis naar macht, gemeenschap en emancipatie.
Da Silva Ferreira, een Portugees choreograaf en danser van 40 jaar, heeft een opmerkelijke reis achter de rug. Van zwemkampioen tot fysiotherapeut en uiteindelijk danser, zijn pad is gevuld met uitdagingen en triomfen. Zijn voorstelling F*cking Future is een weerspiegeling van zijn eigen strijd en zijn visie op de wereld.
Een reis vol twijfel en doorzetting
In een café in Montparnasse vertelt Da Silva Ferreira over zijn twijfels voor de première van F*cking Future in. „Ik was er niet gerust op,” bekent hij. „Het was de eerste uitvoering na december, dus het zou misschien niet optimaal zijn. Bovendien spelen we de voorstelling meestal op intiemere locaties en het Parijse publiek geldt als ‘moeilijk’.” Gelukkig was de respons heel goed, wat hem een zekere rust gaf.
Twijfel is Da Silva Ferreira niet vreemd. Zijn weg naar het dansen was niet rechttoe rechtaan. Hij begon met zwemmen op hoog wedstrijdniveau, studeerde fysiotherapie en won in 2010 de Portugese versie van So you think you can dance. Dansen deed hij al sinds zijn zestiende, wat relatief laat is voor een professionele carrière. Hij heeft geen formele dansopleiding gevolgd, maar zijn achtergrond ligt in clubdancestijlen en hiphop. Hij was zelfs kampioen New style van Eurobattle in 2009.
Kunst en gemeenschap
Da Silva Ferreira heeft een hekel aan competitie, vooral in de kunst. Zijn nominatie voor de tweejaarlijkse International Rose Dance Prize 2026 was daarom een gemengd gevoel. Enerzijds was hij blij om de erkenning, anderzijds voelde hij de druk. „Maar de positie van kunst is overal shaky, dus prijzen zijn belangrijk. Ze geven kunstenaars hoop, ze vertellen ons dat er interesse bestaat voor wat we doen.”
Zijn werk, zoals Carcaça (2026) en F*cking Future onderzoekt gemeenschapsvorming en past in een bredere trend van protest en activisme. Choreografen gebruiken vaak dansstijlen die gelieerd zijn aan de clubscene en folklore, waarbij de nadruk ligt op collectieve beweging. Groeps- en machtsdynamieken interesseren hem van jongs af aan. Als kind dat liever zong dan voetbalde, werd hij gepest. „Tot mijn tiende was er geen probleem, daarna begon het. Als slim kind probeerde ik te begrijpen waarom, en hoe ik mezelf kon beschermen.”
Van zwembad naar dansvloer
Na zijn zestiende pakte hij zijn kunstzinnige belangstelling weer op na „een burn-out van het zwembad”. Hij was te gefocust, voortdurend bezig met zijn voeding, met trainen en presteren. Een eenzaam bestaan. Dans, hiphop, bracht hem bij een gemeenschap waar ruimte was voor emotionele expressie. „Ook dat confronteerde me weer met de vraag wat een gemeenschap eigenlijk is. Hoe wordt een dansgemeenschap gevormd en hoe kan het een plaats zijn voor politieke vragen. Om antwoorden te vinden, moest ik met street dance stoppen en me richten op composities waarin ik sociale relaties kon onderzoeken.”
Folklore en protest
Naast hiphop en clubbing is volksdans een voedingsbodem voor zijn werk. Hij wist dankzij tv, video, YouTube en zijn ervaring met streetdance veel over dans met Afro-Amerikaanse wortels, maar eigenlijk niets over dans die een uitdrukking is van de identiteit van zijn eigen land, volksdans dus. Tot de Anjerrevolutie in 1974, toen het land zich bevrijdde van een dictatuur die bijna vijftig jaar duurde, werd volksdans door het regime ingezet als strategie om nationalistische cultuur te stimuleren. „Het herinnerde de mensen aan de dictatuur, dus folklore ging in de ban. Wij, de volgende generatie, moesten het vergeten. Er werd vooral naar de rest van Europa gekeken, voor de laatste ontwikkelingen in de dans. Jonge mensen gingen echter vragen stellen over de geschiedenis. Tegelijkertijd waren wij de generatie van de hiphop en clubbing. In mijn werk breng ik die stijlen in conversatie met folkloreconcepten.”
Strijdbaarheid en militarisme
In F*cking Future speelt Da Silva Ferreira met de uiterlijke codes van macht, met name van militaire macht – de discipline, in het gelid marcheren, de uniforms, het uitwissen van individualiteit. In de choreografie probeert hij die codes te ontkrachten door die te kapen en tot wapen te maken van de emancipatiebewegingen die de laatste, pakweg, tien jaar met (hernieuwde) energie aan de weg timmeren.
„Strijdbaarheid werd een belangrijk woord in het publieke debat over dekolonisatie, gender, lhbtiq+, discriminatie enzovoort. Maar de laatste drie jaar is het militarisme terug, naast de strijdbaarheid; het militantisme. Militarisatie is al lang geen onderdeel meer van het vocabulaire, dat was iets van de vorige eeuw. Nu gaat het vooral over veiligheid, geld voor het leger, geopolitiek, oorlogsstrategieën. In F*cking Future wil ik een clash verbeelden tussen die twee, militantisme en militarisme, tussen de organische strijdbaarheid en het opgelegde militarisme.”
Hoewel hij codes van mannelijkheid overhoop wil halen, voelt hij zich ook aangetrokken tot de beeldtaal van het militarisme, de viriele energie, de getrainde lichamen. „Er gaat een sterk erotiserende kracht van uit. Ik vond het belangrijk het niet te ‘fetisjeren’. Mijn eerste idee was eigenlijk een stuk met alleen mannen, met eenzelfde lichaamsbouw.”
Om de clichébeelden niet te bevestigen, besloot hij die te kantelen. Door ook vrouwen in de cast op te nemen en mannen met een verschillende fysiek toont de choreografie nu een divers lichaamsbeeld. „In het stuk bewegen ze synchroon, als soldaten. Tegelijkertijd voldoen ze niet aan het heroïsche beeld. Ze creëren een diversiteit die dicht tegen de uniformiteit aanligt, maar die tegelijkertijd bevraagt.”
Dans als rebellie
„We zijn geesten”, luidt de uitleg van Da Silva Ferreira, die zelf meedanst. „Geesten van queer krijgers die zijn omgekomen in de oorlog, onder een systeem van militarisatie. Queer lichamen die als spoken de ideeën over mannelijkheid komen uitdagen. Het zijn lichamen in verzet. Maar in plaats van simpelweg ‘nee’ zeggen tegen de traditionele opvattingen over mannelijkheid, stel ik er iets tegenover waar ik ‘ja’ tegen kan zeggen.”
De individuele fysiek en dansachtergrond (hiphop, hedendaags, flamenco, clubdance, Angolese kuduro) van de performers zorgen voor subtiele, en soms minder subtiele, verschillen in energie en bewegingskwaliteit. Bij de een ziet de plotse samentrekking van de tors er bijvoorbeeld uit als een typische contraction, bij de ander als een hiphop ‘pop’, bij een volgende meer als een abrupte schouderstoot.
Da Silva Ferreira is de oudste van de groep, zijn tomeloze energie en danslust zijn er niet minder om. Dans is duidelijk zijn happy place. „Dans is twee machtige dingen”, verklaart hij vol overtuiging. „Het is een discipline die artisticiteit aan ambachtelijkheid koppelt. Een ambacht dat in gezamenlijkheid wordt uitgevoerd, waarbij we elkaar toestaan elkaar aan te raken en te vervormen, iets wat in onze tijd zeldzaam is geworden.
„En dans is een verspilling van energie. Dans heeft geen nut, toont het wilde lichaam, onbeschermd, ongezeglijk. In die zin zou je dans kunnen zien als een manier om het kapitalisme te tarten. Dans is een manier om rebels te zijn in onze maatschappij.”

