Het Kosovo-tribunaal in Den Haag heeft voormalig president Hashim Thaci veroordeeld tot 25 jaar gevangenis. De rechter vond voldoende bewijs dat Thaci in de jaren negentig betrokken was bij oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid waaronder moord, marteling en onmenselijke behandelingen. De aanklagers hadden eerder een straf van 45 jaar geëist, maar de definitieve vonnis zat 20 jaar lager.
Naast Thaci stonden drie oud-commandanten van het Kosovo Bevrijdingsleger voor de rechtbank. Ook zij kregen langdurige gevangenisstraffen, wat de breedte van het onderzoek onderstreept. Thaci, nu 58 jaar, heeft de beschuldigingen altijd ontkend en vooraf al aangekondigd dat hij op vrijspraak rekende.
Het strafproces en de opgelegde straffen
De rechtszaak, die begin dit jaar startte, werd gekenmerkt door een nadruk op de rol van Thaci als leider van de UÇK (United Kosovo Liberation Army). De rechtbank beschouwde de organisatie als de drijvende kracht achter de gewelddadige acties tegen zowel Servische soldaten als politieke tegenstanders binnen de Kosovo-Albanese gemeenschap. NAVO-operaties, waaronder een bijna drie maanden durende bombardementcampagne op Belgrado werden genoemd als achtergrond voor de escalatie, maar de individuele verantwoordelijkheid van Thaci bleef centraal staan.
Ondanks de zware straf bleven aanhangers van de voormalige president massaal bijeen in Den Haag waar tientallen sympathisanten hun steun betuigden. Zij beschuldigden het tribunaal van partijdigheid en stelden dat Thaci, toen hij tussen 2014 en 2016 minister van Buitenlandse Zaken was, mede had bijgedragen aan de oprichting van dezelfde instantie.
Achtergrond van het conflict in de jaren negentig
In de jaren negentig brokkelde de relatie tussen de kosovaars-Albanese onafhankelijkheidsbeweging en de Servische staat onder leiding van president Slobodan Milošević** af. De repressieve maatregelen van Milošević leidden tot een gewapende oppositie, waarin de UÇK onder Thaci een centrale rol speelde. Het geweld escaleerde toen de Servische generaal Ratko Mladic recent overleden en eerder tot levenslang veroordeeld, naast het reguliere leger de strijd aanging tegen de guerrillas.
De jaren 1998 en 1999 zagen een reeks vergeldingsacties: duizenden doden, waaronder Kosovo-Albanese politieke tegenstanders, Servische burgers en etnische minderheden zoals de Roma. Aanvankelijk werd Thaci door sommige westerse leiders gezien als een potentiële stabiliserende factor in de regio, maar de enorme bloedbad-cijfers ondermijnden die perceptie.
Politieke nasleep en maatschappelijke reacties
Na de NAVO-interventie die de oorlog beëindigde, trad Thaci in de politieke arena: van 2008 tot 2020 bekleedde hij eerst de functie van premier en daarna van president van Kosovo. De onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in 2008 wordt nog steeds niet door alle VN-lidstaten erkend, waarbij Belgrado de soevereiniteit van de regio blijft betwijfelen.
In de hoofdstad Pristina verzamelden zich de afgelopen dagen duizenden demonstranten die Thaci als grondlegger van het hedendaagse Kosovo beschouwen. Foto’s van de vier berechte mannen hangen op openbare plekken, een teken van hun status als nationale helden. Tegelijkertijd start later deze maand een apart proces waarin Thaci wordt beschuldigd van het intimideren van getuigen, een zaak die de controverse rond zijn straf alleen maar vergroot.
De veroordeling is daarmee niet alleen een juridisch precedent, maar ook een brandpunt van politieke verdeeldheid binnen zowel Kosovo als de internationale gemeenschap.



