De Nederlandse politiek staat aan de vooravond van een ingrijpende wijziging in de vermogensbelasting. Het huidige box 3-stelsel schakelt volgens plan over van een systeem met een fictief rendement naar heffing op het werkelijke rendement. De Tweede Kamer stemde recent in met het wetsvoorstel; de maatregel kan vanaf 2028 ingaan als ook de Eerste Kamer akkoord gaat.
Dit raakt particulieren, beleggers en beleidsmakers direct.
Kort gezegd: de Belastingdienst rekent straks niet meer met veronderstelde rendementsschijven, maar met de feitelijke waardeontwikkeling en inkomsten van een vermogen. Wat betekent dat praktisch voor spaarders, huiseigenaren en beleggers? En welke nieuwe administratieve lasten en kansen ontstaan er voor financiële instellingen en beleggingsadvies?
Wat verandert: van fictief naar werkelijk rendement
Wat verandert precies en waarom maakt dat uit voor huishoudens en banken? Tot nu toe werd het vermogen in box 3 belast op basis van een fictief rendement, waarbij de Belastingdienst veronderstelde percentages hanteerde voor spaargeld en beleggingen. Alleen vermogen boven een vrijstelling — in eerdere jaren rond de €57.684 voor alleenstaanden — werd effectief belast.
Die systematiek ligt sinds rechtspraak uit de Hofstad juridisch onder vuur, wat heeft geleid tot een geschatte jaarlijkse inkomstenachterstand van enkele miljarden euro’s voor de staat.
Vanaf 2028 geldt een andere aanpak: belastingplichtigen betalen 36% over het feitelijke rendement, na een heffingsvrij bedrag van €1.800 per persoon (of €3.600 voor fiscale partners).
Onder feitelijk rendement vallen rente en dividend, maar ook waardeveranderingen van beleggingen — zowel gerealiseerd als in veel gevallen ongerealiseerd. Welke praktische gevolgen heeft dat? Banken, beleggingsplatforms en adviseurs moeten hun administratie en rapportages aanpassen, terwijl burgers heldere informatie nodig hebben om hun vermogenskeuzes te beoordelen.
Vanuit ESG-oogpunt biedt de verschuiving naar werkelijke rendementen ook kansen. Duurzaamheid is een businesscase als risico’s en opbrengsten realistischer worden doorgerekend. De koplopers in de financiële sector hebben inmiddels stappen gezet naar betere dataverwerking en transparantere LCA-achtige benaderingen voor beleggingsportefeuilles. Wie wint en wie verliest hangt straks af van fiscale details, administratieve capaciteit en de snelheid van aanpassing door marktpartijen.
Effecten voor beleggers en liquiditeit
De nieuwe berekeningswijze kan voor houders van aandelen en andere volatiele activa tot duidelijke verschillen leiden. Stel een portefeuille van €100.000 stijgt in één jaar met 20%: dat levert €20.000 op. Na aftrek van het heffingsvrije bedrag kan daarover circa 36% belasting verschuldigd zijn. Cruciaal is dat die heffing kan ontstaan zonder dat een verkoop heeft plaatsgevonden. Dat dwingt belastingplichtigen mogelijk liquide middelen vrij te maken om de aanslag te betalen.
Leidt dat niet tot gedragsverandering? Critici waarschuwen dat particulieren dan tussentijds posities moeten verkopen om liquiditeit te creëren. Zo’n verkoopgolf kan de prijsvorming op korte termijn ontregelen. De wet biedt compensatieregels voor negatieve rendementen, maar met een verliesdrempel van €500: verliezen onder dat bedrag zijn niet verrekenbaar.
Uitzonderingen en bijzondere regels
Dalende koersen en verliescompensatie vragen om precieze administratie. Wie binnen een jaar wisselt van activa, moet rendementen en verliezen nauwkeurig bijhouden. Dalende of stijgende markten veranderen de fiscale uitkomst snel. Vanuit ESG-perspectief kan dit mechanisme ook invloed hebben op duurzame beleggingsstrategieën: beleggers die voor de lange termijn kiezen, krijgen mogelijk extra frictie.
Laagdrempelige oplossingen bestaan niet altijd, maar duurzaamheid is een business case waarbij fiscale voorspelbaarheid een rol speelt. De komende maanden zijn bepalend: toezichthouders en marktpartijen moeten praktische uitvoeringsregels en betalingsregelingen uitwerken.
De komende maanden zijn bepalend: toezichthouders en marktpartijen moeten praktische uitvoeringsregels en betalingsregelingen uitwerken. Niet alle vermogenscategorieën vallen hetzelfde onder de nieuwe systematiek. Zo geldt voor onroerend goed een afwijkende benadering. Daarbij ligt de nadruk op direct rendement, zoals huurinkomsten en bij verkoop gerealiseerde winsten. Jaarlijkse waardestijgingen wegen minder zwaar in die berekening.
Aandelen van start-ups en scale-ups zijn deels uitgezonderd. Hun behandeling hangt af van verdere wetsuitwerking en uitvoeringsregels. Dat kan belangrijke gevolgen hebben voor jonge ondernemers en risicokapitaal. Wat betekent dit voor wie nu investeert in een vroege fase?
Breed economisch perspectief en geopolitieke gevolgen
Vanuit een breder economisch oogpunt verandert de prikkelstructuur. Beleggingen met stabiel, zichtbaar inkomen krijgen mogelijk een voorkeursbehandeling. Risicovolle, illiquide posities kunnen juist zwaarder wegen. Dalende tolerantie voor volatiliteit kan de risicobereidheid verminderen.
Dalende risicoallocatie heeft ook geopolitieke effecten. Nationale beleidskeuzes rond kapitaalregulering beïnvloeden waar investeerders hun geld parkeren. Dat kan leiden tot verschuivingen tussen financiële centra. Dalende internationale harmonisatie vergroot compliancekosten voor multinationals.
Dalende risicoallocatie raakt duurzame investeringen op twee manieren. Enerzijds kunnen langlopende duurzame projecten, met voorspelbare kasstromen, aantrekkelijker worden. Anderzijds vereisen veel klimaattransities upfrontkapitaal en dragen ze tijdelijk hogere risico’s. Duurzaamheid is een business case, maar het financieringsmodel moet meebewegen. Vanuit ESG-perspectief zijn heldere definities van scope 1-2-3 en levenscyclusanalyses (LCA) cruciaal voor consistente waardering.
De praktische vraag is nu: welke regels volgen, en hoe snel? Marktpartijen moeten scenario’s doorrekenen en portefeuilles aanpassen. Toezichthouders publiceren naar verwachting nog in het komende kwartaal nadere richtlijnen en voorbeelden van toepassing. Dat wordt de volgende stap voor zowel beleggers als beleidsmakers.
Dat wordt de volgende stap voor zowel beleggers als beleidsmakers. De voorgenomen wijziging luidt waarschuwingssignalen in de financiële sector. Er bestaat zorg dat Nederland, dat decennialang aantrekkelijk was voor kapitaal door relatief gunstige regels, vermogen kan verliezen als beleggers op zoek gaan naar vriendelijkere jurisdicties.
Gaan beleggers echt vertrekken en welk risico schept dat voor de Nederlandse markt? Tegelijkertijd biedt dit kansen voor andere markten, zoals Italië, mits die landen concurrerende en stabiele fiscale en regulatoire voorwaarden bieden. Beleidsmakers in Den Haag lijken zich bewust van deze spanning. De Tweede Kamer verzocht de regering om onderzoek naar een volledige vermogenswinstbelasting — een model waarbij belasting wordt geheven bij realisatie (bij verkoop) in plaats van jaarlijks over ongerealiseerd rendement. Vanuit ESG-oogpunt vraagt dit om zorgvuldigheid: veranderingen moeten zo worden vormgegeven dat ze geen onbedoelde marktverstoringen veroorzaken en dat administratieve lasten beheersbaar blijven. Een formeel besluit moet nog volgen; de komende politieke stappen bepalen hoe groot de impact uiteindelijk wordt.
Belangrijke beleidsvragen
De politieke route bepaalt nu de praktische gevolgen. De Tweede Kamer ging akkoord, maar de Eerste Kamer moet nog stemmen. Daarmee blijft onduidelijk wanneer het nieuwe regime precies ingaat.
Centraal staat de keuze tussen een fictief en een werkelijk rendement-model. Die omslag verandert de fiscale prikkels. Spaarders en beleggers moeten straks rekening houden met de samenstelling van hun portefeuille en met beschikbare liquide middelen. Hoe voorkom je dat belasting op ongerealiseerde winsten leidt tot liquiditeitsproblemen?
Vanuit mijn ervaring als duurzaamheidsspecialist geldt: de duurzaamheid is een business case die hand in hand kan gaan met uitvoerbare fiscaliteit. Dalend vertrouwen en onduidelijkheid schaden markten. Daarom is een heldere overgangsregeling cruciaal. Verwacht dat aandacht uitgaat naar administratieve uitvoerbaarheid, liquiditeitsfaciliteiten en heldere definities van rendement binnen scope 1–2–3-reporting. De komende politieke stappen bepalen of die punten worden aangescherpt of uitgesteld.